aardappel
Aardappel is vandaag het vierde belangrijkste voedselgewas ter wereld, na graan, rijst en maïs. Lange tijd was de aardappel bij ons alleen gekend als botanische curiositeit. Rubens plantte het als sierplant in de tuin van zijn Antwerpse villa. Bij ons duurde het nog tot na 1800 vóór de aardappel op grote schaal werd gekweekt als voedsel voor de armen.
De aardappel is een plant die ondergronds een energievoorraad in de vorm van zetmeel aanlegt. Het zetmeel wordt bewaard in de vorm van knollen, die eveneens aardappelen of aardappels worden genoemd. De knollen worden gevormd aan ondergrondse stengels, stolonen genoemd.
In veel Europese en westerse landen is de aardappel een basisvoedingsmiddel. Net als rijst, pasta en brood is de aardappel een belangrijke bron van koolhydraten.
De aardappel behoort tot de nachtschade-familie, net als de tomaat, de paprika en de tabak. De groene delen van de aardappel zijn dus giftig.
Een ander onderscheid is er tussen rassen met vastkokende aardappels, die bij het koken hun stevigheid behouden, en rassen met kruimige of bloemige aardappels, die bij langer koken uit elkaar vallen en daardoor het meest geschikt zijn om te pureren.
De aardappel is vanuit Zuid-Amerika naar Europa gebracht door Spaanse ontdekkingsreizigers. Waarschijnlijk nam Diego de Amalya de eerste plant in 1536 mee uit Peru of Chili, waar deze aardappel bekend stond als chunu. Monniken waren verantwoordelijk voor de verspreiding van de aardappel vanuit Spanje naar de andere Europese landen. Zij pootten de plant in hun kloostertuinen.




















