banaan
Een banaan is een langwerpige, licht gebogen vrucht, die afkomstig is van de bananenplant. In Suriname spreekt men van bacove als het om de vrucht gaat die rechtstreeks uit de schil gegeten kan worden en van banaan als het om groene bakbananen gaat. In Indische gerechten wordt de banaan meestal pisang genoemd, dit is het Maleisische woord voor de vrucht.
Bananen hangen in een tros en willen omhoog groeien. Het is overigens niet zo dat ze naar het licht willen, ze willen tegen de zwaartekracht in groeien. In een ruimteschip zonder zwaartekracht zouden ze dus recht groeien.
Grofweg zijn er twee soorten: de fruit- of dessertbanaan en de bakbanaan die je niet rauw kunt eten. De banaan komt onder andere uit Colombia, Costa Rica en Honduras. Bananen bevatten diverse vitaminen en mineralen, maar ze zijn opvallend rijk aan vitamine B6 en kalium.
Een dessertbanaan is zoet, klein en rauw eetbaar. Een bakbanaan is groot (zo’n 30 à 40 cm lang), heeft een heel stevige schil, kan een rode, gele of groene kleur hebben en heeft een hoog koolhydraatgehalte. Rauw is hij moeilijk te verteren, daarom verwerk je hem best warm. In Zuid-Amerikaanse landen is de bakbanaan een belangrijk onderdeel van de maaltijd, zoals de aardappel bij ons.
Koop bananen die nog wat groen zijn, tenzij je ze meteen moet gebruiken. Te veel bruine of zwarte plekken zijn meestal geen goed teken.
















